In een klein koppel volstaan een paar generaties om alle dieren familie van elkaar te maken. Inteelt sluipt er dan ongemerkt in, en daarmee een verlies aan vitaliteit. Het verschil begrijpen tussen gestuurde selectie en toevallige inteelt is de sleutel tot een koppel dat op lange termijn gezond blijft.
Waarom inteelt een probleem is
Steeds verwante dieren met elkaar kruisen concentreert verborgen gebreken. Dat heet inteeltdepressie: lagere vruchtbaarheid, minder bevruchte eieren, zwakkere kuikens, trage groei en het opduiken van afwijkingen zoals een kruisbek of kromme poten. De algemene vitaliteit, de weerstand tegen ziekten en de levensduur nemen generatie na generatie af.
Lijnenteelt tegenover toevallige inteelt
Niet elke paring tussen verwanten is een fout. Lijnenteelt is gecontroleerde en gedocumenteerde inteelt, bewust toegepast om een eigenschap vast te leggen, met nauwkeurige registratie en het wegselecteren van zwakke dieren. Toevallige inteelt ontstaat wanneer je niet weet wie van wie afstamt, en juist die tast het koppel aan.
Praktische strategieën
Verschillende eenvoudige methodes helpen om de genetische diversiteit te bewaren:
- Wissel regelmatig van haan, het liefst om de één tot twee jaar, en vermijd dat een haan zijn eigen dochters bevrucht.
- Breng nieuw bloed in: een haan of broedeieren van een andere fokker van hetzelfde ras.
- Gebruik clanrotatie of de spiraalmethode met meerdere rennen, en verplaats de hanen volgens een vast plan van ren naar ren.
- Houd fokdieren uit verschillende lijnen aan in plaats van uit hetzelfde broedsel.
De rol van een stamboekregister
Geen van deze strategieën werkt zonder te weten wie verwant is aan wie. Een register bijhouden van rennen, bloedlijnen en paringen, met de datums en de afstamming van elk dier, wordt onmisbaar zodra het koppel groeit. Dieren herkenbaar maken met een pootring en elke paring noteren voorkomt onbedoelde kruisingen.
De registratie opzetten
Noteer de afstamming van elk fokdier, de ren van herkomst en het geboortejaar. Met een rotatieplan voor de hanen en een inbreng van nieuw bloed om de twee of drie jaar kan een klein koppel onbeperkt vitaal blijven. Deze gegevens over bloedlijnen en paringen bewaren maakt van het fokken een gestuurd proces in plaats van een gok.